Nieuws

Want God had de wereld zo lief dat Hij Zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.
Joh.3:16

Paasverhaal: ‘Een bijzondere ontmoeting’

Categories: Nieuws,Ophettweedegezicht

‘Nee Simon, zo kan het niet langer. Ik ben het nu echt beu. Drie jaar heb je me laten zitten met alles en moest ik zo nu en dan ook nog eten komen brengen, maar ik vind dat ik ook recht heb op een getrouwd leven…..’ Simon keek nog gekwetster dan hij al deed toen hij binnenkwam. ‘Ja maar…eh…. ik…eh, ik heb het helemaal verknald!’ ‘Ja, dat heb je inderdaad’ onderbrak Esther hem. ‘Wie moest die drie jaar voor het huishouden zorgen? Waar was je al die tijd? Ja, met je vrienden, een gril achterna. Zelfs een vis ving je nog niet voor me. Ik heb het helemaal gehad met jou en die Jezus en het visser van mensen zijn. Zorg nu maar eens dat er fatsoenlijk eten op tafel staat, Simon!’ Tranen van woede kwamen uit de ogen van Esther, in tegenstelling tot de tranen van wanhoop van Simon.

Simon was kort ervoor huilend binnengekomen en had geschreeuwd: ‘Verraden, ik heb Hem verraden, ik ken Hem wél.’ Hoewel zijn vrouw wel iets van hem gewend was, begreep ze nu niks van hem. Hij leek wel een watje, helemaal week. Voor niemand was hij ooit bang, toen hij een keer een paar zweepslagen kreeg van een beledigde romein, lachte Simon hem vierkant uit. Maar dit was een andere Simon. Deze man was een vreemde voor haar en ze dacht terug aan de mooie jaren die ze samen hebben gehad tot die rabbi in het leven van Simon kwam. Altijd kon je plezier met hem hebben….. toen…… Geweldige plannen hadden ze. Een viswinkel was hun droom, maar dat leek eeuwen geleden. Op een dag was Simon thuis gekomen en hij had gezegd dat hij met die rabbi Jezus meeging. Zonder waarschuwing vooraf. Hij had wat schone kleren gepakt, had haar een kus gegeven en en was vertrokken met een vreemde blik in zijn ogen.

In het begin dacht Esther nog dat het een bevlieging was, een van de vele, maar hoe langer Simon met rabbi Jezus omging, hoe meer ze van elkaar vervreemden. Als ze in de buurt waren, kwam Simon wel eens thuis met van die idiote verhalen, maar omdat hij zelden met eten thuis kwam werd het steeds moeilijker voor Esther. ‘Praatjes vullen geen gaatjes’, had ze gezegd, maar Simon had dat glashard tegengesproken. ‘Zijn woorden kun je eten’ had hij gezegd en daar moest ze het maar mee doen. Nee, voor Esther was het geen mooie tijd geweest.

Nu zat Simon op de grond, als een gebroken man met verwilderde haren. Esther voelde medelijden met hem, maar wilde nu een keer niet toegeven. ‘Ze hebben Hem gevangen genomen’, zei Simon na een poosje met trillende stem. ‘Morgen moet Hij voor Pilatus verschijnen, en dan …….. Misschien wordt hij wel gedood, je weet hoe die Romeinen zijn…….

Esther voelde triomf in haar hart opkomen. ‘Als Jezus dood gaat, dan kunnen wij weer een normaal leven leiden’, dacht ze. ‘Niet leuk natuurlijk voor Jezus, maar dan komt alles weer goed en heb ik mijn Simon weer terug…….’ Opeens stond Simon op. ‘Ik moet er bij zijn, ik ga er naar toe.’ ‘Nee Simon, blijf nu bij me, ik heb je nu nodig. Laat die rabbi nou en kom weer thuis wonen. Ze zullen jou ook nog oppakken……’ zei Esther. ‘Ik wil niet dat je gaat ! Ik ben het zat!’ Een stroom van verwijten kwam uit haar mond. Simon hoorde en zag het niet meer en ging naar buiten.

De volgende morgen hing er ondanks het mooie weer een gespannen sfeer in de lucht. Iedereen in de stad voelde de druk en het onheil. Esther had zich verzoend met het feit dat Simon weer bij de discipelen was en ging nieuwsgierig naar de burcht van Pilatus. Ze wilde toch wel weten wat er zou gebeuren. Door de drukte kwam ze laat aan en werd geconfronteerd met een woedende menigte die riep: ‘Kruisig hem! Kruisig hem!’ ‘Wie moet er gekruisigd worden?’ vroeg ze aan een toeschouwer. ‘Jezus wordt nu berecht, dus zal het wel om hem gaan’, was het antwoord. ‘Maar waarom eigenlijk, Hij heeft toch niets gedaan?’ zei ze. ‘Hoor je er soms ook bij?’ was het antwoord en Esther hield wijselijk haar mond. Opeens zag ze Simon voor zich, zoals hij daar de vorige dag thuiskwam. ‘Zou hij………’, dacht ze en ze wist het meteen. Simon had ook gedaan alsof hij er niet bij hoorde en dat had hem zo overstuur gemaakt.

Met verwarde gedachten liep Esther bij de burcht vandaan en ging op een schaduwplekje zitten. Stel dat die rabbi toch anders was, en niet zomaar een bevlieging van Simon? Maar dan moeten ze toch blij met Hem zijn? Dan roep je toch niet dat ze Hem moeten kruisigen? Meer en meer vragen kwamen bij haar op, maar antwoorden kon ze niet vinden. Enige tijd later kwam een stoet vanaf de burcht richting de schedelrots. Drie mannen droegen een dwarsbalk en één van hen had een soort mantel aan en een krans van dorens op zijn hoofd. Toen hij langs Esther strompelde, keek Hij haar recht in de ogen. Esther schrok enorm, want het was de rabbi, de rabbi van Simon. Het was Jezus. Met afgrijzen keek Esther naar het lugubere schouwspel, iets dat ze haar ergste vijand niet toewenste. Ze schaamde zich over haar eigen gedachten van de vorige dag en met een rood hoofd liep ze snel naar huis.

Het was donker toen Simon thuis kwam. ‘We hebben hem begraven in het graf van Jozef van Arimethea……..,’    ‘ het is voorbij……. Ik dacht dat Hij de messias was, maar nu is hij dood. Vanaf volgende week ga ik weer vissen, maar ik wil nu nog even een paar dagen bij mijn vrienden blijven.’ Esther keek hem nu vol begrip aan en nam zich voor om elke dag iets te eten te brengen.

Op de eerste dag van de week ging Esther weer naar de groep leerlingen van Jezus. Met een grote pan linzensoep kwam ze binnen. Maar wat was daar aan de hand? Geen rouw, geen grafstemming was te zien. Alleen maar lachende en blije gezichten. ‘Lieverd, je gelooft het niet, maar het is wáár! Jezus is opgestaan!’ Simon schreeuwde het bijna uit. ‘Daar gaan we weer…..’ dacht Esther en ze wilde weer boos reageren, maar Simon kuste haar en maakte een dansje met haar, zodat ze om zijn malle dingen moest lachen. Dit was háár Simon. Terwijl ze zo dansten en gek deden, voelde Esther dat het ineens stil om hen heen werd. Ze keek om en op 2 meter afstand stond een man wiens gezicht ze vaag herkende. Van schrik keek ze naar de anderen en zag dat zij blij keken. Dit gezicht was zo anders dan ze eerder had gezien. Hij sprak met één van Simons medeleerlingen. Esther zag zijn handen en grote gaten in zijn pols en toen wist ze het. HET WAS JEZUS!

Alle pijn en eenzaamheid verdwenen uit het hart van Esther. Ze wist dat haar malle man de echte Messias gevonden had.

‘s Avonds liepen Simon en Esther hand in hand naar huis terug. ‘Simon, ik wil niet meer dat je van me weg gaat’ zei ze. ‘Van nu af aan volg je Jezus niet meer …………  alleen, maar ga ik ook mee!’ Met tranen in hun ogen vervolgden ze hun weg. Esther had niet alleen haar man teruggekregen, maar had ook de Messias gevonden.

 

Bron: http://evenbijkomen.wordpress.com/

Author: Ellen